Van mijn tante kreeg ik een oude doos met foto’s. Terwijl ik erin bladerde, stond ik opeens oog in oog met een stukje geschiedenis dat meer zegt dan duizend rapporten van het Planbureau voor de Leefomgeving. Bij mij was dat een vergeelde foto van mijn pake, ergens rond 1947, hurkend in het gras terwijl hij een geduldige zwartbonte koe melkt. Een foto waarvan je bijna spontaan zin krijgt in klompen en zelfgebakken roggebrood. Het is het soort foto dat mensen op Instagram tegenwoordig massaal zouden liken onder het mom van slow living, mindful farming en back to basics, terwijl ze ondertussen een cappuccino met havermelk van € 4,80 bestellen.

Die foto zette iets in gang. Een gedachte, een glimlach, maar ook een besef dat het gesprek over boeren tegenwoordig meer lijkt op een nationale klaagsessie dan op een poging elkaar te begrijpen. Links moppert omdat de natuur piept en kraakt. Rechts moppert omdat subsidies niet doen wat ze zouden moeten doen. En ergens in het midden staat de boer die ondertussen gewoon probeert zijn koeien, zijn gezin en zijn geestelijke gezondheid te verzorgen. En dan zijn er nog de consumenten, die eigenlijk het liefst willen dat voedsel bijna gratis uit de lucht komt vallen, biologisch, duurzaam en liefst ook instagram-proof. Een ideale wereld waarin melk koe-neutraal is en aardappelen zonder modder uit de grond rollen alsof ze door Dyson zijn ontworpen.
Maar goed — terug naar pake. Hij was geen influencer, geen eco-warrior, geen lobbyist en voor zover ik weet ook geen fan van ingewikkelde politieke discussies. Hij was een eenvoudige, trotse, hardwerkende man die zijn twintigste eeuw doorploegde op een tempo dat paste bij de tijd, de middelen en het land.
Van 15 koeien en 17 cent per kilo naar 240 koeien en 48 cent
Nu wil ik pake even gebruiken als metafoor in een rekensom. De werkelijke cijfers zullen ongetwijfeld een beetje anders zijn geweest, maar het mag tenslotte ook een levendig verhaal blijven. In 1947 melkte pake vijftien koeien die ieder zo’n vierduizend liter melk per jaar produceerden. De melk bracht in de winter zeventien gulden cent per kilo op en in de zomer veertien gulden cent. De dichtheid van melk is 1.032 kilo per liter, iets wat je in die tijd overigens niet met een rekenmachine uitrekende, maar gewoon wist omdat je het honderd keer per dag in je handen had. Die vijftien koeien brachten in dat jaar 9505 gulden op. Omgerekend naar 2025 komt dat neer op een inkomen van ruim eenenzestigduizend euro. En toch was het besteedbare inkomen bescheiden, want alle kosten die voortkwamen uit voer, onderhoud, gereedschap en dagelijkse arbeid vrat dat bedrag net zo vrolijk op als een koe een bak kuilvoer.
Nu, bijna tachtig jaar later, melken we gemiddeld tweehonderdveertig koeien die per stuk achtduizend liter per jaar produceren. De melkprijs is ongeveer achtenveertig cent per kilo, terwijl je in de supermarkt vaak rond de negentig cent per liter betaalt. En ondanks het feit dat de boerderijen zestien keer groter zijn geworden, is het besteedbare inkomen van de gemiddelde boer hoger maar niet op een manier die in verhouding staat tot de schaalvergroting. Dat inkomen wordt geschat op zo’n vierenzeventigduizend euro per jaar, wat klinkt alsof het allemaal heel florissant is, maar ook nu worden kosten niet bepaald gedempt door een vriendelijke economie.
De romantiek van vroeger schuurt nogal tegen de realiteit van vandaag. Grote bedrijven, strengere natuurregels, stikstofnormen, grondprijzen die door het dak gaan, investeringen die meer lijken op mini-risicoavonturen en een samenleving die tegelijk betaalbaar voedsel én een perfect landschap verwacht. De boer van nu produceert meer, investeert meer en staat onder meer druk.
Gemopper links, gemopper rechts, en ergens een boer die het niet meer kan horen
Het debat over boeren lijkt een beetje op een verjaardagsfeest waar iedereen net iets te lang heeft gedronken. De mensen links in de kamer vinden dat de natuur wordt opgeofferd voor economische groei en dat koeien pas echt gelukkig zijn als ze in een megagrote groene wellnessweide staan met aromatherapie en een podcast over biodiversiteit. De mensen rechts vinden dat de overheid overal een subsidie van maakt, behalve waar het echt helpt, en dat boeren worden gekneveld door regels waar geen mens chocola van kan maken.
Tussen dat alles in staat een boer die dagelijks opstaat voordat de zon zin heeft om te beginnen en ondertussen al die meningen over zich heen krijgt. De boer die moet investeren in emissiearme stallen terwijl niemand hem precies kan vertellen welke regels over vijf jaar nog gelden. De boer die hoort dat hij te veel koeien heeft, maar ook dat hij efficiënter moet worden om te kunnen overleven. En de boer die ondertussen zijn facturen ziet stijgen en de melkprijs ziet schommelen alsof het een achtbaan is die slecht is onderhouden.
En dan zijn er wij, de consumenten. De stille kracht achter de hele ratrace. Want ergens willen we goedkoop voedsel, veel keuze, keurmerken die ons geruststellen én een ongerepte natuur. We willen gemak, overvloed en duurzaamheid, maar de prijs van een liter melk moet intussen liefst niet hoger zijn dan die van een plastic fles mineraalwater in de aanbieding.
Het is niet raar dat de situatie knelt. Dat er gemopper ontstaat. Dat er polarisatie is. Maar de vrolijkheid waarmee iedereen het gesprek begint met een beschuldigende vinger naar iemand anders, is soms bijna aandoenlijk.
De romantiek van het verleden vs. de realiteit van het heden
Wanneer ik naar die foto kijk van pake in het weiland, lijkt het alsof het leven toen eenvoudiger was. Maar eenvoud betekent niet automatisch gemak. Die vijftien koeien waren geen hobbyproject; het was hard fysiek werk, dag in dag uit, ongeacht het weer, de economie of het humeur van de koe. Techniek was beperkt en arbeid was zwaar.
Het verschil met nu is niet zozeer de romantiek, maar de schaal. De boerderij van nu is zestien keer groter geworden dan in 1947. Niet omdat boeren zo graag opschalen, maar omdat het systeem hen die richting in heeft geduwd. Als de melkprijs laag blijft, kun je alleen overleven door meer te produceren. En als de kosten stijgen, moet je mee of je stopt. Zo eenvoudig en zo lastig is het.
Het inkomen per koe is niet spectaculair gestegen en per kilo melk al helemaal niet. De efficiëntie is verbeterd, maar de kostenstructuur is ook geëxplodeerd. Een moderne melkstal kost niet een zoutje en een bak koffie, maar bedragen waarbij de gemiddelde consument spontaan duizelt. De technologie is prachtig, maar wordt betaald uit lange termijnleningen waar een hypotheekadviseur een sprongetje van zou maken.
Het ongemak van ons eigen consumptiegedrag
Wat mij opvalt in de hele discussie rond boeren, milieu-impact en wereldverandering, is dat de meeste mensen prima in staat zijn om kritiek te leveren op alles en iedereen behalve zichzelf. We klagen dat boeren meer rekening moeten houden met het milieu, en tegelijk vegen we achteloos goedkope kaas uit het schap zonder stil te staan bij de prijs die daarachter schuilgaat. We eisen duurzame landbouw, maar worden onrustig als een pak melk meer dan een euro kost.
De ratrace begint niet bij de boer, niet bij de overheid en zelfs niet bij het klimaatbeleid. Het begint bij onze manier van consumeren. Bij onze verwachting dat eten goedkoop moet zijn, dat supermarkten altijd gevuld moeten zijn en dat we zonder nadenken kunnen kiezen uit tien soorten yoghurt. We willen dat de wereld verandert, maar liever niet dat onze eigen winkelkar verandert.
De wereld is in beweging. Het klimaat verandert, de landbouw verandert, de markt verandert en wij veranderen mee, zij het soms met tegenzin. En ergens in dat landschap staat die boer, balancerend tussen traditie, innovatie en verwachtingen die soms zo tegenstrijdig zijn dat zelfs de koeien het niet meer snappen.
En de koeien?
Ik stel me weleens voor wat de koeien ervan zouden vinden als ze hun zegje konden doen. Misschien zouden ze ons eraan herinneren dat zij geen politieke voorkeur hebben, geen mening over stikstofmodellen en al helemaal geen idee waarom melk in de supermarkt duurder is dan bij de boer. Ze zouden ons waarschijnlijk aankijken met die grote bruine ogen die zeggen: doe allemaal eens wat rustiger.
En misschien is dat precies wat we nodig hebben. Een beetje rust. Een beetje nuance. Een beetje humor. Niet om de problemen kleiner te maken, maar om te voorkomen dat we in discussies verstrikt raken waarin niemand nog luistert. Want de wereld is al ingewikkeld genoeg zonder dat we elkaar voortdurend bestoken met verwijten.
Dag pake
De foto van pake laat me zien dat de kern van het boerenleven altijd hetzelfde is gebleven: hard werken, zorgen voor dieren, omgaan met de grillen van de natuur en hopen dat het allemaal genoeg oplevert om door te kunnen. Wat veranderd is, is de wereld eromheen. De discussies, de verwachtingen, de druk, de schaal, de eisen en de economische realiteit.
Of je nu mopperend links, mopperend rechts of ergens daartussen zit, één ding is duidelijk: zolang wij als consumenten blijven verlangen naar goedkoop, overvloedig en altijd beschikbaar voedsel, zal de ratrace blijven bestaan. De schuld ligt niet bij één groep, maar in de manier waarop ons hele systeem is georganiseerd.
Misschien helpt het om, net als ik, af en toe eens naar zo’n oude foto te kijken. Niet om terug te verlangen naar vroeger, maar om te zien waar we vandaan komen en waar we naartoe willen. Het gesprek over boeren, natuur en consumptie is belangrijk, maar het mag wel met iets meer begrip, een vleugje humor en de wetenschap dat niemand dit expres ingewikkeld maakt.
En heel misschien, heel soms, helpt het om het debat even los te laten en gewoon een glas melk te drinken, zonder direct te berekenen hoeveel stikstof dat kost. Hoewel…
